Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw

De afstamming van de

Familie Vernooij

Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw
Hoofdpagina

Naar de database

Meer markante Vernooijen

Literatuur en links


Jan Vernooij en Door Broeke
resp. 1902-1992 en 1903-1993
Agent van Politie in oorlogstijd

Gebaseerd op een artikel in de publicatie "Het waren er zes" (zie: Bronnen en literatuur)

Johannes Wilhelmus Vernooij, (Jan) [6] geboren te Utrecht 9-10-1902 en overleden te Utrecht op 6-11-1992. Jan was de zoon van Thomas Vernooij. Hij trouwde te Maarssen op 1-6-1928 met Theodora Johanna Broeke (Door) [7] geboren te Maarssen op 23-7-1903 en overleden te Utrecht op 2-5-1993.

Na de lagere school in de Oudenrijn kwam hij als jochie van 14 jaar, als boerenknecht, te werken op de boerderij "Willemshoeve " aan de Straatweg in de Oudenrijn.
Hij heeft daar gewoond en gewerkt van 1916 tot 1918.
Daarna als boerenknecht bij zijn oom Cornelis Ham op de boerderij "Breukelenwaard "de latere "Mariahoeve " te Ruwiel, onder Breukelen.
Op 2 juli 1921 werd hij door de Burgemeester van Utrecht, Fockema Andreae, vanwege de Militie-Lichting 1922 opgeroepen om te verschijnen voor den Keuringsraad, zitting houdende in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen aan de Mariaplaats te Utrecht, ingang tegenover de Zadelstraat, teneinde zich aldaar aan een onderzoek naar zijne lichaamslengte en zoo nodig, aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen.
Op 3-11-1922 werd hij ingelijfd als dienstplichtige van de lichting 1922 bij het Regiment Jagers. Op 19-10-1926 werd hij vrijwillig verbonden als soldaat, voor onbepaalde tijd zonder premie, met bestemming voor den grensbewaking, bij het Korps Politietroepen.
Op 1-5-1927 werd hij, op voordracht van den Hoofdcommissaris van politie te Utrecht, door de Burgemeester van Utrecht Fockema Andreae, benoemd, tot tijdelijk agent van politie, op een weekloon van dertig gulden.
Op 31-8-1927 maakte hij met 11 andere collega's voor het eerst in uniform met het kraagnummer 313, kennis met het Utrechts publiek. Aan de inmiddels verdwenen " Maliepost ", waar hij drie en een half jaar dienst deed, leerde hij de grondbeginselen der straat surveillance.
Jan Vernooij en Door Broeke, trouwfoto, 1928.

Op 18-3-1937 verklaarde het Hoofd van het Mobilisatiebureau dat hij, dienstplichtige der lichting 1922 uit Utrecht op grond van de Mobilisatie-vrijstelling-beschikking voorloopig niet behoeft te voldoen aan een buitengewone oproeping in werkelijken dienst in geval van oorlog, oorlogsgevaar en andere buitengewone omstandigheden. Zoodra genoemde dienstplichtige ophoudt de betrekking te bekleeden van agent van politie te Utrecht is hij verplicht den werkelijken dienst te vervullen, waartoe hij dan nog verplicht zou zijn, indien hij genoemde betrekking niet zou hebben bekleed. Al spoedig werd Jan geplaatst bij de verkeerdienst. En trad hij regelmatig op als verkeersregelaar op verschillende posten in de binnenstad van Utrecht. Door zijn grote betrokkenheid met het wel en wee van het politiepersoneel werd hij eerst als secretaris en later als voorzitter van de R.K.Politiebond St.Michael, afd Utrecht, gekozen.
In mei 1940 werd de zwartste bladzijde in de geschiedenis van het Utrechtse politiekorps geschreven. Nederland werd door de Duitsers bezet.
Tijdens de eerste oorlogsdagen heerste er grote verwarring binnen het Utrechtse korps. Tegenstrijdige orders werden gegeven en leidinggevende politiefunctionarissen waren veelal afwezig. Het bombardement van Rotterdam en het dreigen met een bombardement van de stad Utrecht deden bij een groot aantal Utrechtse politiemannen minachting ontstaan voor alles wat Duitser en NSB'er was.
Door de Duitsers werd in november 1941 de Centrale Politie Federatie ingesteld als enige organisatie, die zeggenschap kreeg in de aangelegenheden, welke tot dan toe tot het terrein van de traditionele politiebonden hadden behoord. De traditionele katholieke vakbond van politieambtenaren bleef clandestien bestaan.
Op 21 februari 1943 werd in alle rk.kerken een herderlijk schrijven van de bisschoppen voorgelezen waarin o.a. werd gezegd, dat bij alle onrecht dat geschiedt en het leed dat geleden wordt door jeugdige personen, die met geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd alsook naar de Joden die aan zulk groot lijden zijn bloot gesteld en dat hiervoor de medewerking wordt geŽist van o.a.politieambtenaren. Dat zij daardoor in gewetensnood geraakt zijn. Welnu; om alle twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij u weg te nemen, verklaarden zij met alle nadruk dat medewerking in deze ongeoorloofd is.
Op 24 februari 1943 ging Jan Vernooij met nog vijf collega's op bezoek bij de NSB-hoofdcommissaris Kerlen en werd aan hem medegedeeld, dat een bevel, onverschillig door wie ook gegeven tot het ophalen van Joden, arbeiders voor Duitsland en jeugdige personen zal worden geweigerd. Kerlen werd kwaad en blafte hen toe, dat hij verlangde dat zijn bevelen stipt en onvoorwaardelijk worden uitgevoerd.
Kerlen liet toen een order uitgaan waarin hij stelde, dat naar aanleiding van een bezoek van enige r.k. agenten van politie, die op grond van het in de kerk voorgelezen herderlijk schrijven, zouden weigeren - indien het bevel komt - joden en jeugdige personen te arresteren. Diegenen die het daar mee eens waren zouden worden ontslagen, zonder pensioen, gage of wachtgeld. De zes, die bij Kerlen waren geweest, zochten op 25 februari 1943 al een onderduikadres. En bleven tot het einde van de oorlog ondergedoken en hebben daarbij het verzet tot steun kunnen zijn. Jan Vernooij had twee onderduikadressen te weten bij de familie Peek in Achthoven bij Montfoort en de familie Streng in Oudewater.
Het gezin van Jan, moeder met 7 kinderen, bleef tijdens zijn onderduiken in Utrecht wonen tot 9-8-1943. Toen kreeg Door van de ondergrondse verzetsbeweging het bericht dat het gezin onmiddellijk moest onderduiken, daar de mogelijkheid bestond dat het gezin als gijzelaar zou worden gearresteerd. Alle kinderen werden bij familie en vrienden ondergebracht terwijl moeder doorlopend op reis was om haar kinderen te bezoeken.

Zowel Jan Vernooij als Door Broeke werden door Paus Paulus VI op 3-11-1977 onderscheiden met Pro Ecclesia et Pontifici.

*Laatst bijgewerkt op 11 juli 2007.


Over deze website

Vragen of opmerkingen, mail ons: