Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw

De afstamming van de

Familie Vernooij

Wapen van de familie Vernooij 17e en 18e eeuw
Hoofdpagina

Naar de database

Meer verhalen

Literatuur en links


Kees en Fien

Kees en Fien: Een verhaal van geweldloos verzet

Gebaseerd op een verhaal uit: "Grenzen aan gehoorzaamheid; Houding en gedrag van de Utrechtse politie tijdens de Duitse bezetting" door Arnold Vernooij, 1985.

Levina van der Steen, (Fien) [18] geboren te Utrecht op 18-6-1921 en overleden te Utrecht op 1-6-1999. Zij trouwde te Utrecht op 10-6-1942 met Cornelis Vernooij, (Kees) [17] geboren te Utrecht op 13-1-1919 en overleden te Utrecht op 22-2-1996.

Kees Vernooij, zoon van Thomas Vernooij [4] en broer van Johannes Wilhelmus Vernooij, (Jan) [6] was bij het uitbreken van de oorlog in 1940 als agent van politie in dienst van de gemeente Utrecht. Evenals zijn broer Jan weigerde hij in februari 1943 voor de Duitsers Joden en jonge mensen te arresteren.. Door deze weigering moest hij onderduiken, om arrestatie door Utrechtse collega's en de Sicherheitspolizei te voorkomen.
Kees en Fien woonden boven de bloemenwinkel van haar ouders op de Oude Gracht te Utrecht. Toen Kees op 26-2-1943 onderdook wist Fien zich geen raad. Zij was zeven maanden zwanger, hoe moest dat verder met hen? Tijdens zijn onderduikperiode kwam Kees maar een enkele keer stiekem thuis, ze vonden het te gevaarlijk. Met de geboorte van hun dochter stond Kees aan het bed in het Antonius ziekenhuis te Utrecht. Na de situatie aan de dokter te hebben uitgelegd, mocht hij zelfs in het ziekenhuis blijven slapen.
Kees Vernooij en Fien van der Steen

Trouwfoto van Kees Vernooij en Fien van der Steen uit 1942. Klik hier voor een vergroting.

Na de geboorte van hun kindje kwam Kees vaker thuis om zijn dochtertje en haar te zien. Op 9-8-1943 was zij gelukkig alleen thuis. Er werd hard en langdurig gebeld en op de deur gebonsd. Zij trok aan het touw, zodat de benedendeur openging en direct stapten twee agenten in burger en twee lui van de Sicherheitspolizei naar binnen.
Zij renden naar boven. De twee vlogen direct de huiskamer binnen en liepen door naar de keuken en de slaapkamer. "Waar is je man?" riep er één. "Dat weet ik niet, ik heb hem al maanden niet meer gezien en zelfs met de geboorte van mijn dochtertje heeft hij niets van zich laten horen ". "Hij zal wel naar Engeland zijn" zei de ander. "Het was nogal een linkerd, die Kees Vernooij" De Duitsers zeiden niets en keken alleen maar. Na ongeveer 10 minuten verlieten zij het huis. Op 17-8-1943 kwam Kees weer eens thuis en nadat zij hem het verhaal over zijn Utrechtse collega's gedaan had, zei hij: "We moeten voorlopig voorzichtiger worden ". Plotseling hoorde zij de stem van haar vader, buiten op de Oudegracht. Zij liep naar het raam en zag haar vader schreeuwend en gebarend beneden op de rijweg staan. Aan de overkant van de Oudegracht naderde een militaire vrachtwagen, sloeg linksaf over de brug en stopte tot haar ontzetting voor haar deur. Kees begreep direct dat er gevaar dreigde en vluchtte via de zolderverdieping door een raam het dak op. Kees had vele malen deze route geoefend en zei altijd: "Op het dak krijgen ze me nooit te pakken, het lijkt daar wel een bos ".
Intussen waren er soldaten uit de vrachtauto gesprongen, die de snel toestromende mensen van de Oudegracht en de Twijnstraat op een afstand moesten houden. De huisdeur werd ingetrapt en binnen enkele seconden waren er vijf man boven. Drie man in burger en twee in lange leren jassen van de Sicherheitsplizei. Twee van hen herkende zij van het vorige bezoek.
"Waar is je man, vertel het maar, want we weten dat hij thuis is. We krijgen hem toch wel te pakken en dan ziet het er voor jou ook niet best uit". Alles werd overhoop gehaald en in kasten werd gekeken, maar gelukkig was Kees al lang weg.
"Als je zegt waar je man is kunnen jullie thuis blijven anders moeten jullie mee. Zij mocht alleen wat kleren van de 4 maanden oude baby meenemen. Zo werd zij naar buiten gebracht en met een por in haar rug in de vrachtauto geduwd. Zij zwaaide nog vlug naar haar ouders en weg ging zij met haar dochtertje, dat, hoe gek het ook mag klinken, nog steeds sliep.
Bij het hoofdbureau van politie werd zij uitgeladen door politiemannen in uniform. In een groot lokaal werd zij ondervraagd Na een uur werd zij samen met haar baby naar buiten gebracht. Twee vrachtwagens stonden klaar. De wagen werd volgeladen. Een aantal herkende zij, vrouwen, soms kinderen van ondergedoken Utrechtse politiemannen. Er werd niet veel gezegd. Ze keken elkaar alleen maar aan, de angst moet van hun gezichten afgestraald hebben. Toen zij eenmaal reden, vroeg één van hen aan hun bewaker: "Waar gaan we naar toe?" "Amsterdam", was zijn norse antwoord. In Amsterdam in de gevangenis op de Amstelveenseweg werd zij in een van de cellen ingesloten. Iedere dag kreeg zij twee sneetjes bruin brood met een beker zwarte koffie. Zij werd niet verhoord, maar was vreselijk bang wanneer zij Duitsers hoorde schreeuwen, want zij wist niet wat er ging gebeuren. In de gevangenis waren ook nederlandse bewaaksters. De hygiënische toestand was slecht; geen zeep, geen handdoeken, stukjes krantenpapier als toiletpapier. Voor haar dochtertje werd de toestand onhoudbaar. De extra luiers, die zij meegenomen had van huis, waren na één dag al op. Eén van de bewaaksters heeft toen gezorgd, dat zij een aantal doeken kreeg, waar zij een soort luiers van scheurde.
Op 20 augustus 1943 hoorde zij iemand roepen: "We gaan naar Vught". Snel daarna werd zij ook uit haar cel gehaald en in een vrachtwagen geladen. Op het Centraal Station van Amsterdam werd zij onder strenge bewaking in een geblindeerde trein geduwd. Zij zag toen kans een briefje te schrijven, waarop zij vermeldde, dat zij naar Vught gebracht zou worden. Later hoorde zij dat het briefje, dat zij stiekem uit het raam gegooid had, door een conducteur uit Amsterdam persoonlijk naar haar ouders in Utrecht was gebracht.
's Middags kwamen ze in Vught aan. Ze moest eerst langs een balie lopen en alles wat ze bij zich had afgeven, ook haar trouwring. In de volgende kamer van de barak kreeg ze een jurk van blauw en grijs gestreepte stof, een broek van hard flanel en een hemd. Verder moest ze haar schoenmaat opgeven en kreeg ze een paar klompen met sokken. Als laatste kreeg ze naald en draad om haar kampnummer op te naaien. Haar nummer was 0443. Haar dochtertje mocht haar eigen kleertjes aanhouden.
Er werd hen verteld, dat zij zouden gaan douchen. Dat ging met een groep van ongeveer twintig vrouwen tegelijk. Daarna werden ze ingedeeld in één van de blokken. Zij kwam in blok 23. De barakken waren van hout en binnen stonden er stapelbedden, drie hoog. Er waren ook tafels en banken.
Na 14 dagen kreeg haar dochtertje ontzettende buikloop en viel kilo's af. Zij moest haar afstaan aan het kampziekenhuisje. Gelukkig kende zij dokter Steijns uit Utrecht, die zich als gevangene nuttig moest maken. Hij beloofde goed voor haar kindje te zullen zorgen.
Haar werk in het kamp bestond uit het schoonhouden van de barak en werd zij later ingedeeld op de Effectenkamer. Op die afdeling werden alle waardevolle spullen van Joden uitgezocht, genummerd en op naam opgeslagen.
Op 23 december 1943 kwam Rauter in het kamp op bezoek. Bij haar barak aangekomen deed hij aan de aldaar aanwezige vrouwen een voorstel, dat wanneer hun mannen zouden ophouden met het plegen van verzet, zij vóór Kerstmis in vrijheid zouden worden gesteld.
Op 24 december 1943 werd er een order uitgevaardigd door de SS-Obergruppenführer und General der Polizei Rauter. Hierin deed hij zijn belofte gestand, die hij één dag eerder in het concentratiekamp Vught had gedaan.
Na het uitlekken voor haar hulp aan Joden in het kamp werd Fien eind december 1943 ingesloten in een cel in een bunker.. Zij kon niet rechtop staan, geen licht, geen toilet of water. Het was een verschrikking, zeker nu zij wist, dat de andere gijzelaars van ondergedoken politiemannen zouden worden vrijgelaten.
Op 5 januari 1944 werd zij uit de bunker gehaald. Nadat zij gedouched had ging zij naar het kampziekenhuis waar zij haar dochtertje terug kreeg.
Zij werd door een Duitse SS'r tot aan de poort van het kamp gebracht en daar stond zij dan met op haar ene arm haar dochtertje en in haar andere hand een koffertje met wat spullen. Zij was vrij .......

Voor haar moedige hulp aan joodse mensen in het concentratiekamp Vught werd haar een Israëlische onderscheiding verleend.

Bronnen en literatuur:

"Grenzen aan gehoorzaamheid; Houding en gedrag van de Utrechtse politie tijdens de Duitse bezetting" door Arnold Vernooij; Uitgegeven bij Tresor, Utrecht 1985

"Het waren er zes" door J.W.Vernooij

*Laatst bijgewerkt op 11 juli 2007.


Over deze website

Vragen of opmerkingen, mail ons: